Maandag 19 juni, naar de vesting van Carcassonne en katharenkastelen
Het is vandaag minder warm (24 graden) en de lucht aan zee ziet er grijs uit en het is erg vochtig in de lucht. We hopen dat het in het binnenland wat beter is en daarom gaan we vandaag weer op stap, naar Carcassonne.
We rijden eerst door het gebied van de Montagne de la Clape, een ruig kalkmassief tussen de kust en Narbonne met voornamelijk slechte wegen. Het is een mooi en rustig gebied, maar ook zijn er veel stukjes met druiventeelt te vinden. Van de kust af zien we de lucht alweer blauw worden, terwijl de nevel boven de zee en de kust blijft hangen.
Als we bij de Cité van Carcassonne aankomen staat de thermometer al op 34 graden. Carcassonne wordt in twee helften verdeeld door de rivier de Aude, er is de benedenstad en de Cité. De Cité is een grote ommuurde middeleeuwse stad, een superburcht die geheel gerestaureerd is in de 19e eeuw. Er wonen nog enkele tientallen burgers, maar verder is het één grote toeristische attractie geworden. Het is de grootste vesting van Europa en was ooit een belangrijke katharenstad.
Er zijn een aantal musea in de Cité en meerdere gebouwen die van binnen bekeken kunnen worden. Er is een dubbele verdedigingsmuur en je kunt er tussendoor langs de hele vesting lopen. Vooral 's avonds, wanneer er schijnwerpers op de stad staan gericht, moet dat een erg mooi gezicht zijn als je hier loopt. Wij vinden het zo ook al erg fascinerend. De thermometer geeft inmiddels aan dat het 34 graden is, maar gelukkig zijn overal wel beschaduwde terrasjes te vinden waar we af en toe even kunnen neerploffen.
Na een paar uur rondlopen hebben we het wel gezien, hoewel je hier ook zo een hele dag kunt ronddwalen. Je kunt ook met een gids diverse rondleidingen krijgen, maar wij vinden het toch leuker om zelf onze weg te zoeken. Je krijgt dan misschien wel minder informatie, maar van wat zo'n gids vertelt vergeten we ook al gauw weer de helft. We zoeken nog een plekje langs de Aude om een foto van de buitenkant te maken en gaan dan verder het katharenland in naar het zuiden.
Alet-les-Bains, al een kuurbadplaats vanaf Romeinse tijden, schijnt een eigen micro-klimaat te hebben, maar wij vinden het momenteel gewoon warm, erg warm. Er is geen café in het dorp dus we bekijken de ruïne van de kathedraal. Op internet hadden we een website gezien waarop werd beweerd dat Nostradamus hier was geboren, maar daar vinden we geen spoor van terug. Volgens de meeste officiële biografieën kwam hij uit Saint-Rémy in de Provence.
We trekken nu de bergen weer in waar imposante katharenburchten zijn gebouwd die soms helemaal opgaan in de rotsen en vanuit de verte nauwelijks herkenbaar als kastelen. Maar uiteindelijk hebben ze allemaal het onderspit moeten delven. We zien er meerdere, maar het Château de Peyrepertuse is wel heel moeilijk te herkennen van een afstand, een tijdlang twijfelen we of we nou tegen een kasteel of alleen een rotswand aankijken. De weg er naartoe is niet gemakkelijk te berijden, maar de plek is zeker de moeite waard.
Iets verderop rijden we door het dorpje Cucugnan (100 inwoners). Dit wijndorp is beroemd door de Franse schrijver Alphonse Daudet en zijn verhalenbundel "Lettres de mon moulin" en we denken dat we die molen hier op de foto hebben staan. Door tijdgebrek moeten we de Gorges de Galamus, dat een prachtig kloofdal schijnt te zijn, overslaan.
We willen nog naar het volgende kasteel, Château de Quéribus, de laatste vluchtplaats van de Katharen na de val van Montségur dat onoverwinnelijk werd gewaand. Op 730 meter hoogte (en een steile weg er naartoe), gelegen op een rots, lijkt ook deze plek moeilijk te veroveren, maar in 1255 wordt het kasteel veroverd om de verdedigingslinie tegen Spanje kompleet te maken. De kruistochten tegen de Katharen zijn al afgelopen en de laatsten die hier hun toevlucht hebben gevonden verdwijnen en over de belegering is bijna niets bekend. Hier begint het raadsel van de Katharen, zijn er toch nog leden ontsnapt, hebben ze iets met de Tempeliers te maken, enzovoorts. Een mysterieuze zaak, maar dat is de steile, laatste wandeling naar het kasteel niet, dat is een serieuze zaak.
We komen nog meer kastelen tegen op onze weg richting de kust en af en toe zien we meerdere tegelijk liggen op de verre rotspieken. Bij Tuchan zien we nog het kasteel van Aguilar en rijden we door een mooi, woest dal terug. Langzamerhand wordt de streek weer wat minder ruig, maar nog steeds komen we maar weinig grotere dorpen tegen. Inderdaad een heel apart gebied dat zeker de moeite van het verkennen waard is.
We gaan langs het zuiden van Narbonne over een binnenweg naar Gruissan en onze camping en komen nog langs een grappig kasteeltje, Petit Mandirac, uiteraard behorend bij een wijngaard. Ondanks de ruigheid van het gebied wordt hier veel wijn gemaakt, bijna alle bebouwbare stukken grond is ingenomen door wijnranken.





