Home -> Denemarken -> Geschiedenis
De geschiedenis van Denemarken
Waar halen we onze informatie vandaan?
De prehistorie
Viking tijdperk
Middeleeuwen
Reformatie en absolutisme
De lange vrede
19e eeuw
Begin 20e eeuw
Einde 20e eeuw
Links naar websites met meer informatie over de geschiedenis van Denemarken
Bronnen
De meeste informatie op deze pagina is ontleend aan de website van het Koninklijke Deense Ministerie van Buitenlandse Zaken (de link werkt helaas niet meer).

Prehistorie (12.500 v.Chr. - 750 n.Chr.)
De oudste bewijzen van menselijke bewoning vormen de nederzettingen van rendierjagers uit de Bølling periode, tussen 12.500 en 12.000 v.Chr. TDit was de eerste warme periode aan het einde van de laatste ijstijd. Tijdens de volgende warme periode (de Allerød periode tussen 11.800-11.000 v.Chr.) trokken meer dieren en dus ook jagers naar het noorden. Tijdens de Atlantische periode, 7000 - 3900 v.Chr., steeg het zeenivo zodanig dat de noordelijke delen van Denemarken tot eilandjes gesplitst werden en diepe fjorden in het landschap werden getrokken. De bevolking leefde voornamelijk langs de kust en vis was het belangrijkste voedsel. Grafvondsten tonen aan dat men zorg en respekt voor de doden had.
De laatste periode van het Stenen Tijdperk (2400 - 1700 v.Chr.) viel samen met de vroege Bronstijd in centraal Europa en de Britse eilanden. Wapens en werktuigen van brons kwamen het land binnen en werden geïmiteerd door steenbewerkers. Pas aan het einde van deze periode begon men zelf metalen voorwerpen te vervaardigen.
Koepelgraven uit de vroege Bronstijd karakteriseren nog steeds het Deense landschap. Rond 1100 werd veel extra land ontgonnen voor landbouw en de velden besloegen meestal tussen de 300 en 1000 vierkante meter. Huizen stonden apart of in kleine groepjes bij elkaar en nederzettingen werden vaak voor eeuwen achter elkaar bewoond. Uit de late Bronstijd zijn bewijzen gevonden van prinselijke begrafenissen. Een voorbeeld hiervan is de Lusehøj heuvel bij Voldtofte op Funen. De concentratie van goudvondsten wijst er op dat dit een plek van overvloed was.
Geïmporteerde goederen zoals wapens en schilden impliceren een levendige handel met zuidelijke delen van Europa bestond, speciaal de Alpen-regio.
Rond het begin van onze jaartelling wordt voor het eerst in annalen en verslagen van de Romeinen gesproken over de Noord-Germaanse stammen. Deze Noord- Germaanse stammen trokken langzaam zuidwaarts richting Midden-Europa. Deze kleine groepjes werden langzamerhand opgenomen in grotere stamverbanden waardoor er vorstendommen en koninkrijkjes ontstonden. Toch weten we niet veel van deze periode. De man van Tollund en de man van Grauballe leefden in het begin van het IJzeren tijdperk en zijn waarschijnlijk in het moeras gegooid als straf of als offer aan de goden. De oudste oorlogsbuit die gevonden is, de Hjortspring vondst, bevat de resten van de oudste prehistorische Deense boot. Het is van hetzelfde type als op de rotstekeningen uit het Bronstijdperk.
Er zijn veel vondsten gedaan van Romeinse objecten, zoals wapens, huishoudelijke artikelen en sieraden uit de Romeinse Bronstijd (ca. 0 - 400 n.Chr).

De Vikingen (750 - 1100)
Met het begin van het Viking tijdperk, rond 800, werd Denemarken werkelijk onderdeel van de Europese geschiedenis. Het meest berucht zijn de Denen als de Vikingen die overal in Europa plunderden, maar ook in het eigen land ging de ontwikkeling door.
Rond 700 was Denemarken al een sterke monarchie. Het Merovingische rijk was verdeeld en de Denen zagen hun kans schoon Saxen en Friesland te veroveren. Karel de Grote en de Karolingers trachtten de macht van de Franken te herstellen, maar Godfred, de Deense koning, wilde niet snel opgeven.
Godfred werd vermoord in 810 en veschillende takken van de familie vochten om de macht. De verliezers werden vaak verbannen en de blijvende heerser had dan ook altijd te vrezen van eventuele vijanden die terugkwamen met oorlogsbuit of buitenlandse versterkingen, zoals Harald Klak. Na 827 werd Horik I, zoon van Godfred, de enige heerser, maar hij werd samen met vele anderen vermoord in een bloedige burgeroorlog in het midden van de 9e eeuw.

Vervolgens regeerden diverse koningen, onder andere afkomstig uit Zweden. Harald Blauwtand (Harald I) beweert op een runesteen in Jelling heel Denemarken te hebben veroverd. Waarschijnlijk besloeg Denemarken - het woord komt aan het einde van de 9e eeuw voor het eerst voor - destijds alleen een klein deel en heeft Harald dat toegevoegd aan het koninkrijk Jutland dat hij geŽrfd had van zijn vader, Gorm the Oude.
Het gebied dat Denemarken besloeg tijdens de Vikingen bleef onveranderd tot in de middeleeuwen. In ScandinaviŽ was Denemarken het kleinste land met de grootste bevolking. Zuid-Noorwegen werd beschouwd als onderdeel van het Deense rijk.
De expedities van de Vikingen liepen uiteen van totale oorlogen tegen landen tot roofovervallen langs de Europese kusten. Het belangrijkste doel was oorlogsbuit te halen, hoewel sommige Vikingen zich uiteindelijk vestigden in Engeland en NormandiŽ.
Rond 830 kregen verbannen (vaak koninklijke) Denen steeds meer macht in het Frankische rijk, door verdeeldheid tussen de Franken zelf. Sommigen steunden de Franken tegen hun eigen landgenoten. De overvallen namen toe en kregen hun hoogtepunt in het beleg van Parijs in 880. Een aantal hoofdmannen kreeg landgoederen bij riviermondingen in ruil voor het beschermen van de waterwegen tegen andere Vikingen. Slechts één Viking provincie zou overblijven: NormandiŽ.
Engeland en Ierland werden herhaaldelijk bezocht door de Vikingen vanaf 800. In het begin plunderden ze alleen maar de omgeving en verdwenen weer. Later bleven ze ook om te overwinteren en namen deel aan lokale konflikten. Tussen 865 en 880 werden 3 van de 4 Anglo-Saxische koninkrijken veroverd en sommige Denen vestigden zich voorgoed in Engeland. Veel plaatsnamen in het noorden en oosten van Engeland laten nog steeds de sterke Deense invloed zien. Tegen het einde van de 10e eeuw veroverden de Deense koningen het land. Svend Vorkbaard (Svend I) vroeg na zijn troonbestijging direkt om schatting van Engeland en verovert het land vlak voor zijn dood in 1014. Canute de Grote heroverd het land in 1016. Hij werd koning van Engeland, Denemarken en Noorwegen en had zelfs een deel van Zweden onder kontrole, maar hij hield het rijk niet lang bij elkaar.

Middeleeuwen (1100 - 1536)
De moord in 1086 op Canute de Heilige (Canute IV) door Deense edelen bracht een tijdelijke beknotting van de expansie van de macht van het Deense koningshuis met zich mee. De koningen moesten accepteren dat ze rekening moesten houden met de belangen van edelen en de geestelijkheid. De macht van de kerk was sterk gegroeid na het stichten van een onafhankelijk Deens aartsbisdom in Lund in 1103. Ook vebrokkelde de macht van het koningshuis door twisten tussen de opvolgers van Svend Estridsen. Meerdere familiemoorden werden gepleegd, tot in 1157 Knud Lavard's zoon, Valdemar de Grote (Valdemar I), zijn tegenstanders versloeg en de troon besteeg.
Deense geschiedschrijvers noemden deze periode de grote periode van de Valdemars (1157-1241). De macht van de troon nam weer toe, Wendische stammen die het land plunderden werden verslagen en het territorium breidde zich uit. In 1169 namen de Denen Arkona over op het eiland RŁgen en tijdens de kruistochten veroverden ze Estland in 1219. Holstein werd ingelijfd en LŁbeck moest schatting aan de Deense koning betalen. Na 1200 verbrokkelde het rijk echter snel. Valdemar en zijn zoon werden gevangen gezet op het eiland Lyø, en er moest een grote borg worden betaald voor de vrijlating van de koning. Saxo Grammaticus' officiele geschiedenis, Gesta Danorum, geschreven aan het begin van de 13e eeuw, gaf het land een helderder beeld van zijn nationale identiteit. Voor het eerst waren de Denen in staat over de geschiedenis van hun heldhaftige voorvaderen te lezen.
De bevolking van Denemarken groeide tot meer dan 750.000 zielen en bossen werden gekapt om ruimte voor nederzettingen te maken. Marktplaatsen ontstonden waardoor de economie groeide. Ook ontstonden de eerste grote verschillen tussen het stadsleven en de gebieden op het platteland.
Na de dood van Valdemar II viel het land uiteen en ontstonden er bloedige konflikten binnen de koninklijke familie. Tegen 1300 leek het alsof Erik Menved (Erik VI) het land weer enigszins onder kontrole had, maar in laats daarvan stevende het af op een totale ondergang. De Kroon was blut en de edelen verzetten zich tegen nieuwe belastingen. De enige manier om geld te verkrijgen was door het uitlenen van land. Tegen 1325 was het halve land verpacht en tussen 1332 en 1340 was het gehele land onder kontrole van Holstein of Zweden. De Kroon bezat geen enkele macht meer. Alleen de belangrijkste edelen en de kerkleiders haden iets te zeggen over het bestuur van het land. Beslissingen werden genomen door nationale vergaderingen die bekend werden als hof (danehof). Hierin werden belastingen vastgesteld en nieuwe koningen waren verplicht een handvest te ondertekenen waarin de bevoorrechte positie van de adelstand en de kerk werden gegarandeerd.
"De Zwarte Dood", oftewel de pest, bereikte Denemarken in 1350 en roeide een groot deel van de bevolking uit. De pest kwam nog eens terug in 1360 en 1368-69 en leidde tot een crisis en een aantal sociale veranderingen; Op hetzelfde moment probeerde Valdemar Atterdag zijn koninkrijk weer bij elkaar te krijgen. In 1360 werd de aard van de relatie tussen de koning en zijn volk vastgelegd in de Koning's Vrede, een nationaal kontrakt tussen beide partijen die de bestaande verdeling van het land in landgoederen bevestigde. In 1361 werd het koninkrijk vergroot door de verovering van Gothland, wat echter resulteerde in een oorlog met de Noord-Duitse Hanzesteden. De Hanzesteden wonnen, maar hadden er een geducht tegenstander bij. Valdemar Atterdag's grootste politieke triomf was echter het huwelijk tussen zijn dochter Margaret en King Håkon VI van Noorwegen. Na Valdemar's dood in 1375 werd Oluf, de zoon van Margaret, koning van Denemarken en zij regeerde in zijn naam. Na de dood van Håkon en Oluf werd zij in 1387 uitgeroepen tot koningin van Denemarken; het jaar erop werd ze koningin van Noorwegen en niet lang daarna werd ze door de Zweedse edelen tot koningin van Zweden gekroond.
Met de Kalmar Unie werd de unie van de drie landen grondwettelijk vastgelegd in 1397, toen Erik van Pomerania (Erik VII) tot koning van heel ScandinaviŽ werd uitgeroepen. Noorwegen bleef onder Deense heerschappij tot 1814, maar de Zweden probeerden herhaaldelijk onder de Deense macht uit te komen. De eerste onafhankelijkheids-onlusten braken in 1434-36 uit; gedurende de rest van de 15e eeuw slingerde de Zweedse rådsstyre tussen onafhankelijkheid en onderdanigheid aan de Deense Kroon. Christian II probeerde in 1520 op brute wijze het Zweedse verzet te breken (moordpartij van Stockholm waar meer dan 80 tegenstanders werden geŽxecuteerd) maar dit had het tegengestelde effekt. Onder leiding van Gustav Vasa (Gustav I) leidde een nieuwe opstand uiteindelijk tot het verbreken van de unie en Zweden werd een zelfstandig koninkrijk.
Terwijl de lagere adel steeds minder inkomsten van de boeren verkreeg, bouwde het rijkste gedeelte van de adel haar landgoederen uit. De geestelijkheid en de grootgrondbezitters zaten in de Rigsråd (nationale vergadering) en runden het land met de koning. De overige adel, burgers en boeren hadden weinig in te brengen. Een aantal opstanden die uiteindlijk leidden tot de burgeroorlog in 1534 - 36, die bekend staat als Grevens Fejde (De Vete van de Graaf), zorgde er alleen maar voor dat de heersende klasse nog meer voor zichzelf ging zorgen.

Reformatie en Absolutisme (1536 - 1720)
Het huidige Denemarken is slechts een klein gedeelte van het grote koninkrijk dat Christian III in zijn bezit kreeg na de overwinning in de burgeroorlog in 1536. Op dat moment omvatte Denemarken eveneens Scania, Halland, Blekinge, Gothland en Oesel. Verder vormde Noorwegen met zijn uitgebreide bezittingen in de Noord Atlantische Oceaan (de Faroes, IIsland en Groenland) een personele unie met Denemarken sinds de oprichting van de Kalmar Unie in 1397. Het handvest bij de troonbestijging van Christian III benadrukte dat Noorwegen net zozeer deel uitmaakte van Denemarken als Jutland. Verder moest de monarch van Oldenburg (hertog van Holstein en Schleswig) trouw zweren aan de Deense troon.
Het bestuursstelsel zoals dat vorm kreeg tussen 1536-1660 staat bekend als een aristocratische regering. Het was een grondwettelijke vorm van bestuur waarin de koning officileel werd gekozen door de gewesten van het rijk, maar in de praktijk door de edelen in de Rigsråd, die echter altijd de zoon van de koning koos. In ruil daarvoor moest de koning een grondwettelijk statuut tekenen waarin de verdeling van de macht tussen de Kroon en de Rigsråd was vastgelegd.
Rond 1560 kregen zowel Denemarken als Zweden een andere heerser en er kwam een einde aan de periode van vreedzaam naast elkaar leven. Zweden, onder leiding van Erik XIV, was erop gebrand de macht van de Denen te breken, terwijl Frederik van Denemarken droomde van het herstel van de Kalmar Unie onder Deense heerschappij. Dit leidde tot Den Nordiske Syvårskrig (de Scandinavische 7-jaars oorlog, 1563-70), die uiteindelijk beide partijen uitputte zonder dat er maar één grens was verschoven. In 1611 begonnen de Denen de Kalmar War (1611-13), de laatste poging om de oude unie te herstellen, maar ook die faalde. De machtsbalans in het noorden was nu in het voordeel van een dynamisch Zweden onder leiding van Gustav II Adolf.
Denemarken nam ook deel aan de Dertig-jarige Oorlog, maar verloor en het vernederende vredesakkoord betekende dat Denemarken verslagen en geïsoleerd was, terwijl Zweden tot de leidende macht in het Baltische gebied was opgeklommen.
In oktober 1660 werd een erfelijke monarchie ingesteld. De koning was dus niet langer afhankelijk van de Rigsråd, en hij gebruikte deze nieuwe macht onmiddelijk door het absolutisme in te voeren. Dit werd tijdelijk vastgelegd op 10 januari 1661 in the Erfelijke Monarchie Wet en definitief in Kongeloven (de Koning's Wet) in 1665.
De laatste twee Deens-Zweedse oorlogen, de Skånske Krig (Scania Oorlog) tussen 1675-79, en de Store Nordiske Krig (Grote Noorse Oorlog) tussen 1709-20, werden allebei gestart door de Denen in een poging Scania terug te winnen van de wankelende Zweedse mogendheid. Hoewel de Denen beide oorlogen min of meer wonnen, kregen ze Scania niet terug aangezien de grote Europese mogendheden ertegen waren. Hierom en omdat Zweden ondertussen qua macht niet veel meer voorstelde dan Denemarken, werd het Deens-Zweedse vraagstuk door de regering van de buitenlandse politieke agenda gehaald. De grenzen bleven gehandhaafd zoals ze waren. De langdurige rivaliteit tussen beide landen werd al gauw vervangen door een nieuw partnerschap om tegenwicht te bieden aan het opkomende Russische Rijk. De vrede van 1720 was het begin van een lange periode van vreedzame coŽxistentie tussen de beide noordelijke koninkrijken.

De lange vrede en de korte oorlog (1720 - 1840)
De periode tussen de vrede van 1720 en de volgende oorlog in 1807, tegen de Britten, was de langste periode van vrede die Denemarken ooit heeft gekend. De eerste jaren werden bepaald door het terugbetalen van oorlogsschulden en een ernstige agrarische krisis. De bevolking groeide echter, van rond 700.000 in 1720 tot 978.000 in 1807 en uiteindelijk 1 miljoen in 1814. Terwijl de grote mogendheden oorlog voerden, bleef Denemarken neutraal en leverde voedsel en bood laadcapaciteit aan allerlei Europese landen. Maar de uitbuiting van Denemarken's neutrale positie bracht het land in openlijk konflikt met Engeland in 1801. Het economisch herstel beïnvloedde ook de mentaliteit en houding van het volk; er begon een besef van eigen identiteit en nationale trots te ontstaan onder de burgerij en de spanning tussen Denen en Duitsers raakte ingeburgerd. Begrippen als vrijheid en gelijkheid werden tijdens de Verlichting al besproken door de Denen, evenals de twijfel aan het goddelijke recht van koningen, al voor het nieuws van de Franse Revolutie Denemarken bereikte in 1789.
De ontwikkeling van een nationale identiteit in het midden van de 18e eeuw was tamelijk vroeg vergeleken met veel andere Europese landen. Meestal waren het alleen de machthebbers die zich vereenzelvigden met hun land, terwijl de gewone burger niet verder keek dan zijn stad, dorp of regio. Dat dit wel in Denemarken gebeurde, was ten dele een reaktie tegen de buitenlandse adel aan het hof en in de regering en tegen de Deense adel die de taal en kultuur van de buitenlanders overnam en Denemarken beschouwde als een achtergebleven land. De opstand tegen Struensee was gedeeltelijk begonnen om zijn Duitse spraak en zijn buitenlandse afkomst. De groep die hem in 1772 wegjoeg, probeerde haar eigen macht te stabiliseren door een Deense en conservatieve politiek. Dit nationalisme kulmineerde in 1776 met de Wet op Inheemse Rechten waardoor het verboden was voor buitenlanders om een regeringspost te bekleden.
Oorlog brak weer uit in 1807, toen Engeland Denemarken aanviel, Kopenhagen bombardeerde en de hele Deense vloot overmeesterde. Denemarken had Engeland al een aantal malen geprovoceerd, onder andere door Engelse oorlogsschepen Deense vaartuigen te laten beschermen die niet altijd even neutrale aktiviteiten verrichtten. De Britse aanval in 1807 was bedoeld om te voorkomen dat Napoleon kontrole zou krijgen over de Deense vloot waardoor hij de belangrijke handel tussen Engeland en de Baltische staten kon stilleggen. Denemarken koos na de aanval de zijde van Napoleon, maar slaagde er niet in de blokkade van de Deense zeestraten door sterke Engelse konvooien te doorbreken. In 1813 was de staatskas leeg en het land failliet. Bij de Vrede van Kiel in 1814 moest Frederik VI Noorwegen overdragen aan de koning van Zweden.

19e eeuw (1814 - 1901)
Na de Vrede van Kiel bezat de Deense monarchie nog vier gebieden: Het koninkrijk Denemarken (inklusief de Faroes, IJsland en Groenland) en de hertogdommen Schleswig, Holstein en (later) Lauenburg. Denemarken was gereduceerd tot een kleine natie en moest wel meegaan in de wensen van de grootmachten. De kolonieŽn in India en Afrika werden in 1845 en 1850 verkocht.
Toen Christian VIII de troon besteeg in 1839 had het land veel verwachtingen van hem; als koning van Noorwegen had hij de constitutionele monarchie in 1814 ingevoerd, maar als koning van Denemarken weigerde hij elke beperking van zijn absolute macht. Hij had echter wel door dat het absolutisme niet zou kunnen overleven na een troonsopvolging en hij bracht daarom een aantal wijzigingen aan in de grondwet. De Nationale Constitutionele Vergadering werd gevormd op 5 oktober 1848. De debatten over een nieuwe grondwet duurden maanden, maar op 5 juni 1849 kon Frederik VII de eerste vrije grondwet van Denemarken tekenen, die algemeen bekend staat als de Juni Grondwet. In demokratische zin was de grondwet zijn tijd ver vooruit wat burgerrechten voor de bevolking betrof en de introduktie van een twee-kamer systeem (de Folketing en de Landsting). Er begon zich echter al een politieke scheiding af te tekenen tussen diegenen die de boeren steunden en de nationalistische liberalen en conservatieven aan de andere kant.
Vanaf de eerste vergaderingen van de Rigsdag (parlement) leken de afgevaardigden van de boeren een verenigde partij te vormen en de overigen niet. Een grote groep liberalen schaarden zich rond een groep van prominente figuren, zoals D.G. Monrad. De groep vormde absoluut geen eenheid maar bevatte wel een groot aantal academici. Meer rechts was een kleinere groep ambtenaren en landbezitters die tegen de grondwet waren.
De economie werd geliberaliseerd rond het midden van de 19e eeuw en door de industriŽle revolutie werd het land gemoderniseerd. Op 1 februari 1864 verklaarden Pruisen en Oostenrijk Denemarken de oorlog en wonnen deze nog hetzelfde jaar. Volgens de Vrede van Wenen in oktober moest Denemarken Schleswig, Holstein en Lauenburg opgeven.
Na 1864 probeerden de opeenvolgende Deense regeringen een strikte neutraliteit te behouden in het omgaan met het buitenland, vooral omdat het militair niet opgewassen was tegen grootmachten als Pruisen.
Een arbeidersbeweging ontstond en groeide snel onder invloed van de industriŽle revolutie. Een socialistische arbeidersbeweging, die diverse ambachten verenigde, werd opgericht in 1871 op initiatief van Louis Pio en een politieke partij die later de Sociaal Democratische Partij werd. De autoriteiten vezetten zich tegen de beweging en in een openlijke konfrontatie tussen arbeiders en de autoriteiten werden de leiders gearresteerd. In 1877 werden leiders door de politie betaald om naar de VS te emigreren. Maar in 1884 werden de eerste Sociaal Demokraten in de Folketing gestemd waar ze zich aansloten bij de linkse afgevaardigden. Vakbonden ontstonden en kregen veel steun in Kopenhagen en provinciale steden in de jaren 90 van de 19e eeuw. Na een langdurige strijd werd er in september 1899 een compromis bereikt tussen de werkgever- en werknemerorganisaties. De zogenaamde September Overeenkomst legde het recht vast dat vakbonden de werknemers mochten vertegenwoordigen.

Begin 20e eeuw (1901 - 1945)
De Linkse Hervormings Partij kwam in 1901 aan de macht en had een absolute meerderheid in de Folketing tot 1906. De Rechtse en Onafhankelijke Conservatieven behielden de meerderheid in de Landsting waardoor de regering gedwongen was wetten met de een of de andere partij te overleggen voordat ze goedgekeurd konden worden. In 1906 verloor de Linkse Hervormings Partij na een scheuring in 1905 binnen de partij, waarna de Det Radikale Venstre (de Sociaal Liberale Partij) werd opgericht, die al gauw een centrale positie in de Deense politiek veroverde. Deze vier grote partijen zouden De Deense politiek de komende jaren domineren. Geen van hen kreeg ooit een absolute meerderheid; opeenvolgende regeringen konden alleen hun politiek uitvoeren door samen te werken met één of meerdere andere partijen. Compromissen sluiten was een sleutelelement geworden in de Deense politiek.
Wat buitenlandse politiek betrof, verkeerde Denemarken in een lastige, dubbele postie. Aan de ene kant was het land economisch afhankelijk van de export naar Groot BritanniŽ, aan de andere kant was het wat veiligheid betreft aangewezen op de relatie met het steeds machtiger wordende Duitse buurland. Dit laatste was echter ook lastig door de aanwezigheid van de pro-Deense bevolking in Schleswig. Zij werden soms genadeloos onderdrukt waardoor sterke anti-Duitse sentimenten oplaaiden. De regering trachtte zich zo afzijdig mogelijk te houden op het internationale toneel. Er was een algemene overeenstemming de politiek van neutraliteit door te zetten, zonder daarbij Duitsland te beledigen.
Hoewel Denemarken erin slaagde neutraal te blijven tijdens de eerste wereldoorlog, moest het toch grotendeels tegemoetkomen aan de wensen van Duitsland. De Denen bleven echter niet helemaal gespaard door de oorlog: 275 van de koopvaardijschepen werden tot zinken gebracht waardoor zo'n 700 zeelui stierven en bijna 6.000 mensen van Zuid Jutland werden gedood in dienst van het Duitse leger. Economisch schipperde Denemarken tussen de strijdende partijen door afzonderlijke handelsverdragen af te sluiten met exportverboden waardoor het niet mogelijk moest zijn goederen van de ene partij in Denemarken te importeren en die vervolgens naar de andere partij te exporteren. In de binnenlandse politiek gingen de politieke partijen een bestand aan dat duurde tot het einde van de oorlog, maar dat direkt daarna uiteen viel.
De buitenlandse politiek in de jaren 30 werd gedomineerd door de relatie met Duitsland. Hitler's machtsovername in 1933, Duitsland's terugtrekking uit de Volkerenbond in hetzelfde jaar en de openlijke herbewapening van het leger in 1935, betekenden dat de veiligheids- en neutraliteitspolitiek van Denemarken's sterk afhankelijk waren van een goede relatie met Duitsland. De Britse regering maakte duidelijk dat Denemarken niet hoefde te rekenen op militaire steun in geval van een konflikt met Duitsland. De Scandinavische landen probeerden nog hun neutraliteit gezamenlijk te coördineren, maar de verschillen in belangen waren te groot om tot een eenduidige politiek te komen. Denemarken was in geen geval in staat zichzelf te verdedigen tegen een aanval. In 1939 bood Duitsland de Scandinavische landen aan een non-agressie verdrag te sluiten. De andere landen wezen dit af, maar een paar maanden voor het uitbreken van de oorlog tekende Denemarken alsnog, hoewel men wel aanvoelde dat het verdrag nog minder waard was dan het papier waarop het geschreven stond.
Denemarken verklaarde zichzelf neutraal toen de oorlog uitbrak in september 1939. Maar de relatie van Denemarken met Duitsland en Groot BritanniŽ werden steeds hachelijker terwijl het land politiek en economisch probeerde te balanseren tussen beide landen.
Binnen een paar uur werd Denemarken door de Duitsers bezet op de ochtend van 9 april 1940. In ruil voor het staken van alle verzet zou Duitsland de politieke onafhankelijkheid van Denemarken respecteren. De koning en het parlement stemden in. Zo begon de periode van "vreedzame bezetting" waarin Denemarken de illusie van onafhankelijkheid in stand probeerde te houden.
Duitsland eiste dat de leiders van de Deense Communistische Partij zouden worden geïnterneerd toen de Sovjet Unie werd binnengevallen op 22 juni 1941. De Denen gingen echter nog veel verder, want ze verboden de partij (DKP) hoewel dit tegen de grondwet inging. De partij ging ondergronds en werd de eerste georganiseerde verzetsbeweging in Denemarken.
In Augustus 1943 waren stakingen georganiseerd door de communisten. Bedrijven, fabrieken en winkels gingen dicht en overal braken rellen uit. Vabonden en de politiek deden hun best de onrust te bedaren en het Duitse leger hield zich rustig. Wel wilden de Duitsers dat het Deense leger ontwapend zou worden.
Ook eiste Hitler dat de staat van beleg moest worden afgeroepen en dat de doodstraf werd ingevoerd voor sabotage. De Denen weigerden en op 29 augustus bood de regering haar ontslag aan de koning aan. De Duitsers begonnen direkt het leger en de vloot te ontwapenen en te interneren en het land werd onder oorlogsrecht geplaatst. De Gestapo ging over tot een terreur offensief en wraakacties. De Deense politie werd gevraagd mee te helpen, maar deed dit niet. De politie werd ontbonden en politiemensen naar concentratiekampen gestuurd. Uiteindelijk kostte de oorlog aan 7000 mensen het leven.
De laatste maanden van de bezetting waren er grote voedseltekorten, gevechten tussen verzetsleden en Denen die voor de Duitsers werkten en stijgende misdaadcijfers. Vanaf februari 1945 kwamen zo'n 200.000 Duitse vluchtelingen uit Oost-Pruisen Denemarken binnen. Alle Duitse troepen in Denemarken gaven zich aan de Engelsen over op 5 mei 1945, behalve die gelegerd waren op Bornholm dat in het Sovjet gebied lag. Het eiland werd pas op 8 mei 1945 bevrijd, en Rønne en Nexø werden voor de bevrijding nog door de Sovjets gebombardeerd.

Einde 20e eeuw (1945 - nu)
Ondanks de onduidelijke positie van Denemarken in de 2e wereldoorlog werd Denemarken toch geaccepteerd als een geallieerd land en werd lid van de de Verenigde Naties. Met het uitbreken van de Koude Oorlog werden Denemarken en Noorwegen lid van de NATO in April 1949. De eerste jaren was Denemarken een "geallieerde bondgenoot onder voorbehoud" vanwege de twijfels bij politici en het volk over stationering van kernwapens op Deens grondgebied en over de herbewapening van Duitsland en het lidmaatschap van Duitsland in de Nato.
Dankzij het Marshall Plan kon het land weer opgebouwd en gemoderniseerd worden. Denemarken deed niet mee aan de EEG tot Engeland in 1961 lidmaatschap aanvroeg. De Denen vroegen ook lidmaatschap aan, maar trokken zich terug toen Engeland werd geweigerd. Uiteindelijk werd het land in 1973 toegelaten tot de Europese Unie nadat een kleine meerderheid van de bevolking in een referendum voor aansluiting had gekozen.
De relatie met de EU blijft echter een moeilijke kwestie voor de Denen. Referenda over deelname kregen soms de meerderheid, soms de minderheid. Uiteindelijk koos een meerderheid van 56,8% voor deelname met de mogelijkheid om aan bepaalde zaken niet mee te doen. Dit "nationale compromis" is vastgelegd in de opt-out clausules van het Edinburgh Agreement.
Toen de Euro als wettig betaalmiddel werd ingevoerd, deed Denemarken niet mee.
Websites over de geschiedenis van Denemarken
De onderstaande websites zijn de moeite van een bezoek waard voor meer informatie over de geschiedenis van Denemarken.
Geschiedenis van de Deense vloot, 1801 - 2001
Geschiedenis van het Deense leger, 1800 - 2001