Met een heerlijk zonnetje staan we op en we zijn mooi op tijd
alweer op pad, voor een tochtje door de Alpen. Niet met de olifant zoals
Hannibal dat ooit deed, maar comfortabel met de auto.
Wij zijn dol op bergen, we kunnen er niet genoeg van krijgen.
Met heuvels zijn we ook tevreden maar bergen als hier zijn net even beter.
Veel mensen schijnen iets met bergen te hebben. Ze getuigen van een natuur
die zich niets of weinig aantrekt van mensen. We kunnen ons wel voorstellen
dat er mensen zijn die ze willen bedwingen, ze als het ware willen overwinnen,
maar wij houden het bij bewondering voor deze majestueze reuzen.
Er ligt nog veel sneeuw op de bergen en dus is er veel
smeltwater nu het zo'n 25 graden is, zelfs op bijna 2 kilometer hoogte.
De meren krijgen van dit water een prachtig groen-blauwe tint zoals bij
de Fernsteinsee links.
We rijden Oostenrijk deze keer uit via de Brennerpas (€
8 tol), maar om de een of andere manier hadden we verwacht door een hele
lange tunnel te moeten. Dat valt wel mee, de Brennertunnel blijkt maar een
paar honderd meter lang te zijn, we komen vandaag door wel veel langere.
In Italië rijden we over twee passen langs binnenwegen
die zich steil naar boven kronkelen. De eerste is de Passo Pennes, 2217
meter hoog. Kilometers lang kruipen we met ons autootje omhoog terwijl de
motoren voorbij razen.
Het moet een heerlijk gevoel zijn, zo met de motor over deze
smalle, bochtige, steile weggetjes, en we komen er honderden tegen. Toch
gaat het vaak maar net goed wanneer ze inhalen zo vlak voor een bocht. En
zou je echt van de natuur kunnen genieten, met die snelheid en zoveel verkeer
waar je op moet letten langs deze toch wel gevaarlijke wegen? Wij genieten
dan toch liever vanuit onze auto.
Na een korte stop met een heerlijke kop cappucino (ze kunnen
ze hier toch echt het lekkerst maken!) rijden we verder de Dolomieten in.
Tenminste, wanneer we eindelijk een uitweg uit Bolzano hebben gevonden.
We vinden het maar druk in de steden hier, daar rijdt je niet voor je lol
door heen. Ook de bewegwijzering kon wel wat duidelijker.
Uiteindelijk vinden we echter de route die we willen
nemen, langs het massief van de Pale di San Martino, 3192 meter hoog.
Een indrukwekkende berg die ver uitsteekt boven zijn buurbergen en de
streek domineert.
Na deze pas gaan we verder richting Venetië, of eigenlijk
het schiereiland tegenover de plaats zodat we morgen met de boot kunnen
oversteken. Het is nog hooguit 100 km. maar eerst staan we lang in een file.
Uiteindelijk kunnen we verder en passeren politie, brandweer en ambulances
naast een halve motor. De voorste helft is kompleet verpulverd.
Bij Treviso worden we weer geconfronteerd met de Italiaanse bewegwijzering.
We rijden heel wat rond voor we de juiste weg hebben en kilometeraantallen
veranderen zo van 32 km naar 14 binnen een paar minuten. Onze kaart lijkt
betrouwbaarder maar die is eigenlijk op een veel te grote schaal. Dan maar
op instinct rijden en dat werkt wonderwel vandaag. Ruim 3 uur nadat we nog
100 kilometer moesten, arriveren we op de camping die we zochten.
Onze tent staat al snel, maar nog sneller maken we kennis
met de vele muggen die hier zitten. Dat wordt weer krabben de komende
dagen. Lies heeft nog zin in een kopje soep en rechts zie je het resultaat
van de bestelling: ongeveer een hele pan met soep. Het geeft niet, we
hebben eten en een slaapplaats, wat heeft een mens nog meer nodig?
Het was een lange dag vandaag, vooral de laatste paar
uren in het wel heel erg drukke verkeer. We wisten dat Noord-Italië
een druk gebied is, maar op dit schiereiland is het ook nog vol met toeristen
en dat al op deze tijd van het jaar. Niets voor ons, maar tja, we moeten
Venetië toch wel even zien.