Vannacht lijkt het minder koud dan de nacht ervoor maar het
regent wel veel. We hadden gisteren al besloten dat we verder zouden trekken,
maar we willen nog wel iets meer van de Alpen zien. Dus gaan we vandaag
via Italië naar het westen en over de Timmelsjochpas terug naar Oostenrijk,
het Ötschtal (of Oetztal) in.
De tocht voert ons langs goede wegen, maar toch schieten
we niet op. Allereerst zijn we pas laat (half 11) weg omdat alles kletsnat
is. We drogen alles zo goed mogelijk en legen de tent languit achterin.
Het is druk op de wegen, ook wanneer we Italië binnengaan. We rijden
langs een rivier met blauwgroenig gekleurd water, vaak een aanwijzing dat
het gletsjerwater bevat.
In Brunico drinken we echte Italiaanse cappucino. Eigenlijk
meer om wat Italiaanse Euromuntjes als wisselgeld terug te krijgen dan als
nodige rustpauze. Aangezien we precies € 3 moeten betalen vragen we
dan maar of we ook kleingeld kunnen inwisselen en we krijgen een beker vol
muntgeld waaruit we mogen uitkiezen.
Waarschijnlijk heeft dit gedeelte van Italië ooit bij Oostenrijk gehoord
want alles is tweetalig.
Een klein stukje snelweg richting Brennerpas en dan slaan
we weer af de Alpen in. Via de Jaufenpas, St. Leonardpas gaan we naar de
Timmelsjoch op de grens tussen Italië en Oostenrijk. Ruim 50 kilometer
alleen maar stijgen en dalen langs diepe ravijnen, vaak zonder vangrail
en op smalle wegen. De uitzichten zijn magnifiek en overweldigend: dorpjes
vallen in het niet in de valleien van deze bergreuzen.
De wegen zijn prachtig voor motorrijders en we komen er honderden
tegen. Eentje snijdt de bocht wel heel scherp af en rijdt bijna op onze
auto. Het gaat gelukkig net goed.
De bochten zijn behoorlijk scherp en je moet goed blijven opletten. Maar
we willen ook zoveel mogelijk van het uitzicht genieten dus stoppen we regelmatig.
We blijven geïmponeerd door dit grootse landschap dat bijna niet te
beschrijven valt. Wat is een mens nietig in vergelijking tot deze machtige
natuurverschijnselen die ontstaan zijn gedurende miljoenen jaren.
Op de Timmelsjoch (2509 meter hoog) ligt de grens tussen
Italië en Oostenrijk en naar beneden zijn de wegen stukken beter en
breder, hoewel nog vaak zonder vangrail. We stuiten op een camper die heel
voorzichtig en langzaam naar beneden gaat. Daar zouden wij niet graag mee
willen rijden over dit soort wegen.
In het Ötschtal slaan we een zijdal in richting Vent.
Hier in de buurt is in 1991 Ötschi gevonden, het 5300 jaar oude gemummificeerde
lichaam van iemand die de bergen lopend wilde oversteken. Het is ondertussen
half 6 en we besluiten hier een hotel te zoeken. Op deze hoogte kamperen
lijkt ons iets te koud, maar wanneer we op het terras van het Kleonhotel
in de zon zitten is het nog heel erg warm. Vandaag is sowieso wel weer een
erg warme dag geweest met temperaturen tot bijna 30 graden.
Het hotel is niet erg duur (€ 44 voor 1 nacht), maar
de bediening laat nogal te wensen over, we moeten wel geduld hebben: bijna
een half uur voordat we iemand vinden die ons wil bedienen, zowel wat betreft
een drankje als voor de kamer. We besluiten dan ook maar ergens anders een
hapje te gaan eten.
Terwijl de zon achter de bergen wegzinkt, wandelen we
nog even door het grappige dorpje. De boer brengt net z'n koeien weer
naar de stal en de ondergaande zon kleurt de bergen in het rond. Het wordt
nu snel merkbaar kouder.
Vent ligt op 1900 meter hoogte en is uiteraard een skigebied
bij uitstek. Wij gaan morgen ook even met een stoeltjeslift nog verder omhoog,
hoewel de panorama's ook van hier al heel mooi zijn.