Al om half 9 zitten we aan het ontbijt. De meeste toeristen
die we de afgelopen dagen hebben gezien zijn al weer verder getrokken en
nu zit er een grote groep Franse toeristen. Hoe de reisleider met ze omgaat
doet me denken aan m'n eigen tijd als reisorganisator en begeleider.
Aangezien Lies vroeger niet veel heeft gereisd en alles wel wil zien, neem
ik haar vaak mee naar plekken waar ikzelf al ben geweest en waar nog een
stukje nostalgie ligt. Zo ook Marokko. Eind jaren 80 heb ik hier een reis
uitgezet voor een Nederlandse reisorganisatie en heb ruim een half jaar
in Marokko gezeten. Een groot deel van die tijd heb ik doorgebracht in de
Hoge Atlas, in het dorpje Asni en daar wil ik vandaag weer even naar toe.
Onderhandelen is 1 van die dingen die je als reisleider moet
kunnen. Het belangrijkste is dat je weet wat de werkelijke prijzen zijn:
er is een prijs voor de lokale bevolking , een toeristenprijs, en een gekkenprijs
(die Amerikanen nog wel eens willen betalen) en de zogenaamde in/outsidersprijs.
Die ligt iets boven die van de lokale bevolking en een stuk onder de normale
toeristenprijs, tenminste, meestal. Onze taxichauffeur is het niet eens
met het bod van 10 Dirham dat ik hem doe om ons naar de taxistandplaats
in de buurt van Bab Rob te brengen, de plaats vanwaar Grand Taxis, meestal
mercedessen, vertrekken naar plaatsen ten zuiden van Marrakesh. Hij wil
per sé 20. Ik bied hem 15 want ik weet dat 10 wel erg weinig is.
Hij blijft bij 20 en dan zeg ik hem dat ik de prijs wel weet en dat hij
dan de meter maar aan moet zetten. Die blijft uiteindelijk steken op precies
10 dirham! Ik geeg hem toch maar 15, die € 1,50 heb ik er wel voor
over.
Normaal wacht een Grand Taxi tot de taxi vol is, dat wil
zeggen met 6 mensen, exclusief chauffeur. Er is nog helemaal niemand anders
die alleen maar tot Asni wil, dus we betalen met z'n tweeën voor een
volle taxi, want we willen wel weg: 120 dirham, oftewel € 12. Tijdens
de eerste 30 kilometer over vlak terrein stoppen we al een paar keer om
de banden op te pompen die blijkbaar steeds leeglopen.
Wanneer we de bergen ingaan zien we prachtige valleien waarin
de rivierbeddingen er opgedroogd bijliggen en mooie vergezichten. We maken
wat foto's door het raam, maar ineens stopt de chauffeur met de opmerking:
mooie plek om foto's te maken.
We stappen uit maar ik heb de temperatuurmeter ook wel gezien:
de motor is aan de kook. De motorkap gaat open en een voorbijkomende taxi
stopt om onze chauffeur extra water te geven. Wij doen alsof we nergens
iets van merken en lopen wat rond om foto's te maken.
Uiteindelijk arriveren we in Asni en we zijn de taxi nog niet
uit of we worden omringd door toeristenvangers. De meeste mensen hier werken
op olijfplantages in de buurt op het vlakke land of in andere steden, de
meesten echter van de toeristenindustrie en het is nu laagseizoen. We zijn
de enigen en ik heb m'n beste arrogante reisleiderssmoel opgezet. We lopen
gewoon de markt af en zeggen dat we hier voor onze rust zijn, niet om iets
te kopen.
Ik wil graag even naar het Grand Hotel du Toubkal waar ik
in 1990 bijna 4 weken heb gezeten, maar het blijkt al 6 jaar gesloten, hoewel
er nog wel mensen zitten die ons dat kunnen vertellen. Jammer, ik heb hier
destijds een fantastische tijd gehad waar ik graag nog even aan had willen
denken, zittend op het terras met uitzicht op de besneeuwde top van de Toubkal,
de hoogste berg van Marokko en de op 2 na hoogste van Afrika met z'n 4167
meter hoogte.
Het is hier en stuk koeler dan op de vlakte maar nog
warm genoeg en we rusten even uit tegen een muurtje. Voorbijgangers groeten
ons en zijn niet vervelend. De bevolking hier is Berbers en behoorlijk
anders dan de Arabieren: meer gesloten, maar wel vriendelijk. Er is slechts
een klein groepje, vooral jongelui, die probeert aggressief iets aan de
toeristen te verdienen.
Dit gebied is zo anders dan de omgeving van de stad
Marrakesh. Hier heersen de woestijn en de bergen en de huizen vallen een
beetje in het niet in het overweldigende landschap.
Wanneer we terug in het dorp zijn kunnen we rustig in een
cafe gaan zitten zonder meer lastiggevallen te worden. Af en toe komt er
iemand bij zitten die beweert mij te herkennen, maar het is al 13 jaar geleden
dat ik hier was. Ook een paar van de jongemannen die ons zo lastigvielen
in het begin maken nu rustig een praatje. Waarschijnlijk waren zij toen
van die snotjongens die om een pen of een bonbon bedelden.
Voor nog geen 2 euro drinken we een aantal bakken koffie weg en we zitten
zo een uurtje of twee te kletsen met allerlei mensen, wonderbaarlijk genoeg
vooral in het Engels en niet in het Frans. Ik kan nog uren doorgaan over
deze plek en het Toubkal-gebergte omdat ik hier zulke goede herinneringen
aan heb, maar het is wel weer genoeg geweest, we willen weg.
Er staan al 2 taxi's klaar voor de rit naar Marrakesh wanneer
we ineens toch weer belaagd worden door souvenirsverkopers. Wanneer na een
half uur de taxi nog niet vol is en een jochie begint te klagen dat we geen
respekt voor hem hebben omdat we niets van hem kopen is voor mij de maat
vol. Hij blijft maar aandringen en al honderd keer hebben we vriendelijk
maar resoluut nee gezegd. Ik spring uit de taxi en betaal voor 2 extra mensen
(€ 4) zodat we direkt weg kunnen. En zo zitten Lies en ik ruim op de
achterbank terwijl de voorste stoel wordt ingenomen door 2 mensen zoals
te zien op deze wat vage foto.
De eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat we eerder wel een
armband hebben gekocht van één van de souvenirsverkopers en
ondanks mijn 'reisleidersinstinct' toch nog voor veel te veel omdat we snel
weg wilden met de taxi. € 20 voor een zilveren armband (als het al
zilver is) die waarschijnlijk hooguit € 5 waard is. Maar dat geeft
niet, in dit soort landen is de waarde die je zelf hecht aan dingen belangrijker
dan de werkelijke prijs. Toch had ik er, achteraf gezien, best wat langer
over willen onderhandelen.
Terwijl de heren op de passagiersstoel geanimeerd babbelen
proberen wij wat foto's te maken van het voorbijschietende landschap. We
komen door typische woestijndorpjes waarvan de huizen dicht bij elkaar staan
om voor zoveel mogelijk schaduw te zorgen.
Ook staat er af en toe een eenzaam gebouwtje langs de
kant van de weg. Hoe dichter we bij Marrakesh komen, des te meer begroeiïng
zien we verschijnen. Grote cactusstruiken en hoge palmbomen, en heel veel
plantages met olijfbomen. Er komt veel olijfolie uit deze streek.
Na drie kwartier naderen we de rode stadsmuren van Marrakesh
en op de foto zie je één van de poorten, Bab Aguenaou. Vanaf
de taxistandplaats nemen we een kleine taxi naar het Jemaa el Fna plein.
Het is hier echt beduidend warmer dan in de bergen en onze
wandelingen blijven beperkt tot rond het plein en dan een dakterras op.
Er staat een stevige wind, maar die is bijna nog warmer dan de lucht zelf,
een echte föhn.
We zien regelmatig huizen of muren waar kleurige tapijten
overheen gehangen zijn zoals ook hier naast de Kharbouch moskee aan het
plein. Zo somber als de vrouwen zijn gekleed in zwarte gewaden, zo kleurrijk
is de rest van de stad. En net als bij de huizen overheerst de kleur rood.
De wind wordt zo heftig dat we het dak verlaten en een terrasje
opzoeken in de buurt van de Koutoubia moskee, ook een plek vanwaar we een
mooi uitzicht hebben over het chaotische stadsverkeer. We hoeven maar een
paar honderd meter te lopen maar we zweten alweer behoorlijk wanneer we
gaan zitten. Dit is echt een klimaat om alles rustig aan te doen en je vooral
niet te druk te maken. Dat doen de meeste inwoners dan ook, behalve in het
verkeer.
Wanneer we aan het einde van de middag een taxi terug nemen
naar het hotel hebben we een wat oudere chauffeur. Hij begrijpt het niet
helemaal want hij rijdt alle richtingen op behalve de goede. We sturen hem
een paar keer de goede kant op maar al gauw neemt hij dan weer een verkeerde
afslag en uiteindelijk stappen we maar uit om de rest te gaan lopen.
Dit is de 'stamkroeg' waar we iedere avond wel een uurtje
zitten en soms wat eten. Ook vanavond doen we dat weer. Iedere keer onderweg
erheen lopen we langs een winkeltje waar ik door de eigenaar als Ali Baba
wordt aangesproken en Lies als de Gazelle. Dit keer vraag ik hem nu toch
maar eens wat hij ermee bedoelt. Hij komt met een heel verhaal over de schurk
Ali Baba (waarschijnlijk ook met lang haar) die later een moedige held werd
en de Gazelle als het lieftallige dier dat een goede invloed op hem had.
Na ons avondje mensen en verkeer kijken langs de weg gaan
we niet al te laat naar het hotel, we zijn bekaf. We hebben ongemerkt toch
weer heel wat gelopen en ook de hitte mat ons af. Het is nog steeds wat
drukkend en vochtig in de lucht bij een temperatuur die overdag tegen de
40 graden aanloopt.